Aanvankelijk was er plaats voor 10 paarden, 6 in de linkse vleugel en 4 in de rechtse. Zadeltuig voor
de paarden werd bewaard in twee kisten in het koetshuis. Het koetshuis was steeds bewoond op de
eerste verdieping.
VERLY oordeelde dat dit gebouw te klein was voor de stoeterij van de keizer: daarom wilde hij hier
eerder een brandweerkorps onderbrengen en de remise met de stallingen achteraan uitbreiden. Zo
ver is het toen niet gekomen, maar Leopold heeft dit opzet verder laten uitwerken tussen 1906 en
1910: beide stallingen werden verbreed met 1 travee aan weerszijden van de middenpartij (zodat het
koetshuis verkleinde en de stallingen vergrootten), traveeën die aan de voorzijde vóór beide vleugels
in de tuin werden doorgetrokken, zodat de tuin werd ingekort. De linkse stalling geeft nog een
getrouw beeld van de toenmalige inrichting. De rechtse stalling is het resultaat van de verbouwing in
1984 (toen in het midden voor het koetshuis een 'serre met uitsprong’ is opgetrokken, ter vervanging
van het oude glazen afdak uit 1906-10 – serre die nu op haar beurt vervangen is door een nieuwe
serre!).
Jammer genoeg bestaat er geen plan van de oorspronkelijke tuin: wel was er een oprit in het midden
van de tuin naar het koetshuis. In dat geval waren er twee rechthoekige symmetrische perken met
een abstracte invulling van 'plates bandes’ in spiegelbeeld, waarschijnlijk beplant met buxus en
andere traag groeiende heesters met daartussenin gras. Het kan zijn dat er in het midden van de tuin
- aan begin en uiteinde van de oprijlaan - een klein voetstuk stond voor een sculptuur, hetzij putti of
een tuinvaas. (Een soortgelijk tuinplan voor een andere woning van Van Baurscheit laat dit
vermoeden). Tussen de twee perken en de achterbouw liep de oprijlaan in een knik van 90° naar de
tuinpoort in de tuinmuur die de tuin van de Wapper scheidt. (Een soortgelijke poort staat in de
tuinmuur van het plan van Vergilius Bonnoniensis uit 1555: toen stonden er ook bomen in de tuin –
vermoedelijk fruitbomen of notelaars. Hoewel Van Baurscheit een aantal bomen liet snoeien,
stonden er in 1811 vermoedelijk geen grote bomen meer in de tuin. Wel groeiden er leifruitbomen
tegen het latwerk. In 1826 was er dan weer sprake van een wijngaard).
Omdat in 1777 ook een fontein werd vermeld, is het niet uitgesloten dat de halve cirkel voor het
koetshuis in 1905 terug gaat op de 18de-eeuwse tuinaanleg met fontein. Een dergelijke fontein
vereiste in elk geval een ondergrondse citerne. Ook VERLY heeft het vaak over 'bluswater’ en
'citernes’ – zowel op zolder als in de tuin (pompsysteem). Feit is dat er zeer grote citernes liggen
zowel onder de tuin als onder de binnenplaats, die ook in de 18de eeuw gekasseid was (niet het pad
naar de remise en de stallingen). Of al deze citernes aan de basis liggen van het geleidelijk afsterven
van de nu nog 3 (van de 6) resterende grote bomen is niet duidelijk. Van wanneer deze bomen
dateren is evenmin duidelijk: vast staat dat Leopold geen tijd meer heeft gehad om een nieuw
tuinconcept uit te werken…
Terwijl de twee perken onder Leopold toch nog een vulling hadden met een zeker patroon, is dit
geleidelijk uitgedund tot twee schrale gazonnetjes. Daarbij komt dat voor enkele jaren ook de
tuinmuur aan de overzijde van de Wapper is 'ingesnoeid’, waardoor het geheel er vrij berooid uitziet
(Leopold had hier nochtans een metershoog architecturaal latwerk voorzien voor groenbegroeiing,
zodat de tuin iets meer afgeschermd werd en minder overgeleverd was aan vrijpostige blikken van
de buren. Het heeft niet mogen baten!)